test
 
 

horizontal rule

Algemene informatie Marokko

horizontal rule

inhoud:

bullet

INLEIDING

bullet

FYSISCHE GEOGRAFIE

bullet

BEVOLKING

bullet

BESTUUR EN SAMENLEVING

bullet

ECONOMIE

bullet

TOERISTISCHE GEGEVENS

bullet

GESCHIEDENIS

INLEIDING

FlagMarokko (al-Mamlaka al-Maghribīya = het westelijke of Magribijnse koninkrijk; koninkrijk in de Maghreb in het noordwesten van Afrika, aan de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Hoofdstad: Rabat. In 1969 kwam Ifni bij Marokko; de stadsgebieden Ceuta en Melilla in het noorden zijn Spaans. Sinds aug. 1979 bestuurt Marokko de Westelijke Sahara (voormalig Spaans Sahara) als Marokkaanse provincie. Dit bestuur wordt door Polisario aangevochten.

Munteenheid van Marokko is de dirham (DH), onderverdeeld in 100 centimes. Nationale feestdag is 3 maart, de dag waarop koning Hassan II in 1961 de troon besteeg.

terug naar boven 

FYSISCHE GEOGRAFIE

Landschap

Men kan Marokko verdelen in vier natuurlijke landschappen:

1. De Rif, evenwijdig aan de Middellandse-Zeekust, omvattend de bergketens vanaf de Moulouyamonding tot aan de Straat van Gibraltar; hoogste top: Tidirhine (2456 m). Het is een sterk geërodeerd en weinig toegankelijk bergland. De kust is sterk geleed en rotsig.

2. Het bergmassief van de Atlas [aardrijkskunde]. Tussen het Rifgebergte en de Midden-Atlas (de noordwestelijkste keten van de Atlas) ligt de Poort van Taza, die in het Tertiair een zeestraat tussen Atlantische Oceaan en Middellandse Zee was en nu de voornaamste verbindingsweg met het oosten vormt. Ten zuiden van de Midden-Atlas ligt de Hoge Atlas, verbonden met de zuidelijkste keten, de Anti-Atlas. De Hoge Atlas bestaat vnl. uit een serie hoge plateaus (tot 2000 m), die de zuidzijde van de vlakte van de Sous begrenzen en in terrassen naar de wadi Dra’a in het voorland van de woestijn afdalen.

3. De hoogvlakte van Oost-Marokko, een steppe in de regenschaduw van de Atlasketens. Hier ligt het brede dal van de 530 km lange Moulouya, die ontspringt op de Midden-Atlas en uitmondt in de Middellandse Zee. Afdalend van het Atlasgebergte naar het zuidoosten ligt op een hoogte van 1500 à 1600 m een plateaulandschap dat door een breuklijn gescheiden wordt van de Sahara. De tektonische bewegingen langs dit breukvlak veroorzaken soms hevige aardbevingen (verwoesting van Agadir in 1960).

4. Het gebied ten noordwesten van de Atlas. Er zijn drie landschapsvormen te onderscheiden, een vruchtbare kustvlakte, meer binnenwaarts een droog, steppeachtig, minder vruchtbaar plateau en ten slotte een strook aan de voet van het gebergte. Deze laatste is rijk aan water en vormt een aaneenschakeling van boomgaarden, waarvan de oase van Marrakech het middelpunt vormt

Klimaat

Het klimaat verschilt naar landschap: het berggebied heeft ruwe winters en matig warme, in het zuiden hete zomers; rijke neerslag valt vooral in de winter (800–1000 mm) op de westhellingen van Midden- en Hoge Atlas. Op de oostelijke hoogvlakte valt aan de lijzijde van het gebergte weinig neerslag (200 mm). In de noordelijke kustvlakten heerst een Middellandse-Zeeklimaat, naar het binnenland neemt de invloed van het continent toe.

Plantengroei en dierenwereld

Het noorden van Marokko heeft een typisch mediterrane plantengroei, met o.a. kurkeiken, die sterk is beïnvloed door mens en dier. Naar het zuidwesten toe krijgt de vegetatie een meer tropisch Afrikaans aanzien door het voorkomen van cactusachtige Euphorbia- en Acacia-soorten. In het gebergte overweegt op de hoogvlakten het alfagras en op de hellingen zijn nog bosrestanten met o.a. de Aleppoden en boven de 2000 m een alpine vegetatie.

De dierenwereld vertoont een interessante vermenging van circummediterrane (afkomstig uit de Palaearctische Regio, waartoe Marokko in wezen behoort; deze elementen zijn dus sterk Europees van karakter) en Afrikaanse elementen. De Noord-Afrikaanse, Barbarijse, Berber- of Atlasleeuw is reeds in de jaren twintig van de 20ste eeuw geheel uitgeroeid, evenals het Noord-Afrikaanse hartenbeest (dat al eerder verdween) en het Atlashert (een vorm van het edelhert, in plaats waarvan men het Spaanse edelhert ingevoerd heeft). Van enkele soorten gazellen komen nog zeer gereduceerde aantallen voor; panter en jachtluipaard komen wellicht nog spaarzaam voor. Ook de enige aap, de magot, is zeldzaam geworden, vnl. als gevolg van kaalslag van het gestaag verminderende bosareaal. Jacht en natuurbescherming zijn wettelijk geregeld; desondanks is vooral de stroperij door nomaden aan de noordgrens van de Sahara een probleem. De kusten van Marokko herbergen een rijke zeefauna.

terug naar boven 

BEVOLKING

Samenstelling en spreiding

Ca. 36% van de bevolking bestaat uit Berber(volken), 20% is Arabier en 40% is gearabiseerd Berber. De helft van de buitenlanders (circa 60 000) is Frans. Verder wonen er Spanjaarden en Algerijnen. De Berbers, van wie nog slechts 36% Berber in culturele zin genoemd kan worden, bewonen vooral de gebieden van de Hoge Atlas en de Midden-Atlas en zijn voorland, het stroomgebied van de Sous, alsook de Rif. 2,8% van de bevolking (in het zuiden) is negroïde. Het aantal joden liep tussen 1969 en 1989 terug van 162 000 tot 30 000. De bevolking is ongelijkmatig over het land verspreid. Op 1/10 van de oppervlakte leeft 2/3 van de bevolking in het noordwesten en westen van het land. Het dichtst bevolkt zijn de vruchtbare gebieden aan de kust, en ook het Seboelaagland (Rharb), de Rif en het westelijk deel van de Meseta (ten westen van de Midden-Atlas). Door trek naar de stad neemt de bevolking in de steden jaarlijks 5% toe. In 1995 leefde ruim 50% van de totale bevolking in steden (in 1960: 29%). Tussen de 0,6 en 1 miljoen Marokkanen werken als gastarbeider in het buitenland, van wie 40% in Frankrijk en ca. 150 000 in Nederland. De jaarlijkse bevolkingstoename wordt op 2% geschat. Het geboortecijfer bedroeg in de periode 1985–1995 27‰, het sterftecijfer 8‰. De gemiddelde levensverwachting is 65 jaar. De kindersterfte bedroeg in 1995 7,5%.

De grootste steden zijn Rabat (incl. Salé, 1 397 000 inw.), Casablanca (Arab.: Ad-Dar-el-Beida, 3,5 miljoen), Marrakech (1,6 miljoen), Fès (1 miljoen), Meknès (500 000) en Oujda (1 miljoen).

Taal

De officiële schrijftaal is het Arabisch. De gesproken taal is het in vele opzichten van het standaard Arabisch afwijkende Marokkaans Arabisch, dat door 60% van de bevolking gesproken wordt. 30 à 40% spreekt het aan het Oud-Egyptisch verwante Berbers. Frans heeft als tweede taal steeds een belangrijke plaats behouden in het openbare leven. Verder wordt in het voormalige Spaanse noorden Spaans gesproken.

Religie

Staatsgodsdienst is de soennitische islam; 98% van de bevolking behoort hiertoe. De koning, die zich als religieus leider ziet, zou tot de ahl al-bait of de familie van de profeet Mohammed behoren. Hoewel de islamitische doctrine geen heiligen kent, treft men in Marokko een diep in het volksgeloof gewortelde maraboetverering (zie maraboet) aan. Het christendom, m.n. het rooms-katholicisme, is vooral onder de buitenlanders vertegenwoordigd.

terug naar boven 

BESTUUR EN SAMENLEVING

Staatsinrichting

Volgens de nieuwe grondwet van 1996 is Marokko een ‘constitutionele, democratische en sociale monarchie’ met erfopvolging in de mannelijke lijn. Staatshoofd, geestelijk hoofd (Amir al-Mu’mibin = vorst der gelovigen) en opperbevelhebber van de strijdkrachten is de koning. Hij stelt het kabinet samen, vaardigt wetten en koninklijke decreten uit en heeft de bevoegdheid het parlement te ontbinden en volksraadplegingen uit te schrijven. Het parlement bestaat uit twee kamers: een direct gekozen Huis van Afgevaardigden (222 zetels) en een Kamer van Raadslieden, indirect gekozen door kiescolleges van gemeenteraden, kamers van koophandel en werknemersorganisaties. De vrijheid van vereniging is in de grondwet gewaarborgd, maar wordt in de praktijk vaak beperkt.

Administratieve indeling

Het land (excl. de Westelijke Sahara) is verdeeld in 16 regio's met een zekere mate van zelfstandigheid in culturele en economische vraagstukken.

Aansluiting bij internationale organisaties

Marokko is lid van de Verenigde Naties en van suborganisaties van de VN. Verder is het lid van de Arabische Liga, de Islamitische Conferentie, de Maghreb Unie, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT). Met Frankrijk worden speciale banden onderhouden en hoewel Marokko tot de niet-gebonden landen behoort, heeft het bijzondere betrekkingen met de Verenigde Staten, gebaseerd op een vriendschapsverdrag uit 1787, het oudste internationale verdrag uit de geschiedenis van de Verenigde Staten. Marokko heeft de status van geassocieerd lid van de EU.

Politieke partijen; vakbonden

Vergeleken met andere Noord-Afrikaanse landen is er een grote verscheidenheid aan politieke partijen. De voornaamste zijn: de koningsgezinde centrum-rechtse Union Constitutionelle (UC), opgericht in 1982; het Rassemblement National des Indépendents (RNI), een massabeweging ter ondersteuning van het beleid van de koning; de Parti National Démocrate (PND), sociaal-democratische afsplitsing van de RNI, in 1981 opgericht. Dit zijn de zgn. ‘koningspartijen’ (Wifaq-coalitie). Voorts maakt sinds 1984 van de regeringscoalitie deel uit de Mouvement Populaire, een beweging van verschillende koningsgezinde organisaties. De belangrijkste oppositiepartijen (verenigd in het Koutla-blok) zijn de Istiqlal-partij, gematigd socialistisch en nationalistisch; de Union Socialiste des Forces Populaires (USFP), een radicale partij die o.a. nationalisatie bepleit; en de Parti de Renouveau et du Progrès (PRP). Al deze partijen en nog andere zijn in het parlement vertegenwoordigd. De fundamentalistische moslimpartij Adl wa Lihsane is verboden.

De vakbonden zijn te beperkt in hun bewegingsvrijheid om effectief de belangen van de werkende bevolking te kunnen behartigen. De grootste vakbondsorganisatie, de Union Marocaine du Travail (UMT), met ca. 700 000 leden, is nauw verbonden met de USFP. De met de Istiqlal-partij verbonden Union Générale des Travailleurs du Maroc (UGTM) heeft 500 000 leden.

terug naar boven 

ECONOMIE

Algemeen

De Marokkaanse economie kent dezelfde problemen als die van de meeste ontwikkelingslanden: een snel groeiende bevolking, gebrek aan eigen kapitaal, een voor de industriële ontwikkeling te kleine binnenlandse markt, gebrek aan gekwalificeerde arbeidskrachten en afhankelijkheid van enkele exportproducten (fosfaat en landbouwproducten). Van alle Maghreb-landen is Marokko het armst. De afhankelijkheid van buitenlands kapitaal is groot en de staatsschulden zijn enorm (in 1995 in totaal US $ 22,5 miljard). De import was in 1995 bijna twee keer zo groot als de export (in 1974 nog ruim 10%). Het bruto nationaal inkomen (bnp) per hoofd van de bevolking bedroeg in 1994 $ 1110. De werkloosheid, vooral onder de jongeren, is groot (ca. 20%; onder jongeren zelfs 33%). Volgens de Wereldbank leefde in 1997 40% van de bevolking onder de armoedegrens. Velen begaven zich daarom in de drugshandel of in de uitgebreide informele sector. Het toerisme wordt een steeds belangrijkere bron van inkomsten; het draagt voor ca. 11% bij in de deviezeninkomsten van Marokko en geeft aan 5% van de bevolking werk. Sinds 1983 worden de door de staat beheerste bedrijfstakken voor een deel geprivatiseerd.

Landbouw, bosbouw, veehouderij, visserij

De landbouw is de belangrijkste sector in de economie, waarin 34% van de beroepsbevolking werk vindt, en die in 1995 14% van het bnp uitmaakte. Onvoldoende en onregelmatige regenval veroorzaken grote fluctuaties in de jaarlijkse oogst. Ongeveer 34 miljoen ha is in cultuur gebracht en 25% daarvan is akkerbouwgrond. Ondanks een snelle uitbreiding van geïrrigeerd land is slechts 1 miljoen ha geïrrigeerd. In de afgelopen jaren is de aanhoudende droogte het belangrijkste probleem geweest en heeft samen met een snelle bevolkingsgroei en de beperkte toegang tot de EU-markt voor een stagnatie van de productie per hoofd gezorgd. Van de akkerbouwgronden behoort ca. 6 miljoen ha tot de traditionele sector en ca. 1 miljoen ha tot de zgn. moderne sector, die 25% van de totale oogst levert. Naast granen is de verbouw van citrusvruchten, tomaten en aardappelen van belang. De verbouw van suikerbieten heeft een spectaculaire groei doorgemaakt.

Bosbouw is voor bijna 100% een staatsaangelegenheid. De totale oppervlakte aan bos bedroeg in 1994 ca. 5 miljoen ha, 12% van het totale landoppervlak. De opbrengst wordt gebruikt als brandhout en verwerkt in de bouw- en meubelindustrie. Marokko is het derde kurk producerende land ter wereld.

De overwegend extensieve veehouderij van de traditionele sector dekt de vraag naar vlees niet en invoer is bijgevolg nodig. Perioden van droogte dwingen tot noodslachtingen, waardoor de veestapel soms tot de helft moet worden teruggebracht. Het gevolg is dat de huidenprijzen plotseling scherp dalen.

Visserij. De bijzonder visrijke Atlantische kustwateren worden slechts gedeeltelijk benut door de technisch weinig geavanceerde en kleine vissersvloot. De hoeveelheden gevangen vis verschillen sterk per jaar. Marokko is op een na de grootste sardine-exporteur van de wereld.

Mijnbouw

Het land beschikt over grote en veelsoortige bodemschatten, die nog onvoldoende geëxploiteerd worden. De fosfaatproductie is na die van de Verenigde Staten en Rusland de grootste en dekt ca. 27% van de wereldbehoefte. Fosfaat levert 30% van de inkomsten uit de export op. Mét de voorraden in de Westelijke Sahara heeft Marokko ca. 70% van de wereldvoorraad. Een groot deel van de fosfaatproductie wordt onbewerkt uitgevoerd. Voorts zijn belangrijke bodemschatten: ijzererts, lood (Marokko is de grootste loodertsproducent van Afrika), zink, steenkool, mangaan, kobalt (grootste kobaltproducent van Afrika), aardolie en aardgas.

Industrie

De industriële sector is een van de meest dynamische sectoren van de Marokkaanse economie. Tussen 1980 en 1986 steeg de jaarlijkse productie met 12%. In 1994 leverde de industrie 30% van het bnp, terwijl ca. 24% van de beroepsbevolking in deze sector werkzaam was. Vooral de chemische en de textielindustrie zijn in opmars. Het zwaartepunt van de industrie ligt in het kustgebied tussen Casablanca en Rabat. Grote industriële bedrijven zijn het chemiecomplex van Safi (fosfaatverwerking), de aardolieraffinaderijen van Mohammedia en Sidi Qasim en de celstoffabriek van Sidi Yahya al-Gharb.

Handel

De handelsbalans vertoont traditioneel een tekort. Het belangrijkste aandeel aan de invoer in Marokko leveren Frankrijk, Spanje, Duitsland, de Verenigde Staten, Canada en Irak. De belangrijkste importartikelen zijn aardolie, machines, auto's, elektronische apparaten en levensmiddelen. De grootste afnemers zijn Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en India. De belangrijkste exportartikelen zijn fosfaat, citrusvruchten, visconserven, geknoopte tapijten en confectie.

Energievoorziening

De aanwezige voorraden steenkool, aardolie en gas en de grote waterrijkdom in de Atlas kunnen slechts een klein deel (13%) van de energiebehoeften dekken. Het tekort wordt voor 90% aangevuld door import van aardolie uit Algerije. 20% van de elektriciteit wordt door waterkrachtcentrales geleverd.

Economische planning

Onder druk van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) moest Marokko midden jaren tachtig nieuwe prioriteiten in zijn meerjarenplannen stellen: liberalisering van de handel, bevordering van de particuliere sector, belastinghervorming en daling van het begrotingstekort. Voorts streeft het land naar importdaling van levensmiddelen, investeringsgroei (vooral in de particuliere sector), waardestijging van de export en een inperking van de invoergroei.

Bankwezen

Naast de Centrale Bank van Marokko zijn er achttien handelsbanken, w.o. een aantal belangrijke buitenlandse, die in 1975 genationaliseerd zijn. Voorts zijn er o.m. zeven coöperatieve volksbanken. Het bankwezen wordt sinds 1992 geliberaliseerd.

Verkeer

Het wegennet, ruim 62 000 km lang, is na dat van de Republiek van Zuid-Afrika het dichtst van het continent. Het spoorwegnet, dat 80% van het goederenvervoer verwerkt, is 1756 km lang, met een geplande uitbouw van 1000 km (in 1981 begonnen). Het scheepvaartverkeer speelt een belangrijke rol. Van de Atlantische havens is Casablanca de grootste, gevolgd door Mohammedia, Safi en Agadir. Royal Air Maroc, grotendeels in handen van de staat, verzorgt het internationale luchtverkeer. Casablanca, Tanger, Agadir, Marrakech, Oujda, El Hoceima, Rabat en Fès beschikken over een internationale luchthaven. Royal Air Inter verzorgt sinds 1970 het binnenlandse vluchtverkeer.

terug naar boven 

TOERISTISCHE GEGEVENS

Marokko heeft toeristisch veel te bieden: een kust van afwisselend rotsen en stranden, natuurschoon, exotisch aandoende steden met een sfeervolle medina (= oude stad) en souks (markten), waar men de producten van Marokkaans handwerk kan kopen, monumenten van de Berber- en Arabisch-islamitische cultuur, prehistorische en Romeinse resten, en het uitgaansleven van Casablanca en Tanger. Populaire badplaatsen zijn Salé, Azemmour, el Jadida (met 16de-eeuwse Portugese binnenstad), Safi, Essaouira, Agadir en el Hoceima. Het spectaculairste natuurschoon vindt men in de Hoge Atlas, waar Boumalne het uitgangspunt is voor de grillige Gorges du Dadès. In tegenstelling tot dit droge gebied staat de milde Midden-Atlas met zijn meren, riviertjes, watervallen en cederbossen. Langs de Ziz (Er Rachidia, Erfoud, Rissani) en de Dra (Zagora, Agdz) bevinden zich vele oases. In alle gebergten in Marokko zijn wintersportcentra, bijv. Ketama, Mischliffen en Oukaimeden.

De oudste cultuurhistorische monumenten zijn de prehistorische rotstekeningen in de Hoge en Anti-Atlas uit ca. 10 000–5000 v.C., o.a. bij Oukaimeden, waar in de rotsen talrijke geometrische figuren, vuistbijlen, mensen en dieren zijn gegraveerd. Van de Romeinse ruïnesteden is Volubilis beroemd, met resten van triomfbogen, thermen en woonhuizen met veel goed bewaard gebleven vloermozaïeken, gelegen bij de heilige stad Moulai Idris.

Veel plaatsen in Marokko hebben een kasba (= burcht). De kasba's van de Berbers vertonen een eigen stijl: het zijn tot vier verdiepingen hoge, lemen burchten op vierkante plattegrond, met vier uitspringende hoektorens en met eenvoudige geometrische decoraties in diep-reliëf. Sommige Berberkasba's bestaan uit ommuurde complexen met daarbinnen verschillende burchten, stallen en tuinen. Ze dien(d)en als vluchtburcht, familiehuis en/of voorraadschuur. Tot de mooiste Berberkasba's behoren die van Telouet, Âït-Benhaddou, Boumalne, El Keela-des-Mgouna en Tinerhir. Sommige Berberdorpen zijn omgeven door muren met bastions (ksar, meervoud ksour, = vestingdorp), bijv. Âït-Benhaddou.

De bezienswaardigste Arabisch-islamitische steden zijn, speciaal wat betreft de – Moors beïnvloede – bouwkunst met haar gedetailleerde decoratie (zie ook islamitische kunst): de vier koningssteden Fès, Marrakech, Meknès, Rabat, voorts Tanger, Salé, Tétouan, de heilige stad Chéchaouen met veel Moors-Andalusische architectuur, vooral moskeeën; Taza met Grote Moskee, Andalusische Moskee (minaret uit 1200) en een sultanspaleis. Vele Marokkaanse steden hebben een moussem (= jaarlijkse bedevaart) ter ere van de plaatselijke heilige, gepaard met feestelijkheden, waaronder vaak een afsluitende fantasia (= ruiterspel).

Van het Marokkaanse handwerk zijn bekend: de kleurige tapijten (o.a. Rabat-tapijten), het ‘Marokkaans leer’ (Meknès), aardewerk uit Safi en Fès, wollen en zijden stoffen (Fès), intarsiawerk uit Essaouira, gegraveerde koperen en messing gebruiksvoorwerpen, zilveren en gouden sieraden, wapens, speciaal de kromdolken uit Tiznit. Het museum in Tanger herbergt Marokkaanse volkskunst en plaatselijke (o.m. Romeinse) vondsten.

terug naar boven 

GESCHIEDENIS

Van de oudheid tot de 19de eeuw

Van de geschiedenis van Marokko, dat al ver voor het neolithicum door rondtrekkende volken bewoond geweest moet zijn, is de vestiging van Fenicische handelsposten aan de kust (o.a. het huidige Larache; zie ook Fenicië) in ca. 1200 v.C. het eerste bekende feit. Ook de Carthagers (zie Carthago) stichtten er handelsfactorijen. In de laatste eeuwen voor het begin van onze jaartelling werd het gebied dat toen de naam Mauretania (genoemd naar de Mauri of Moren) had, door de lokale dynastieën geregeerd. Bekendste vorst uit die periode was Juba II (50 v.C. – 23 n.C.). Na de dood van zijn zoon Ptolemaeus werd het gebied onder de naam Mauretania Tingitana een Romeinse provincie. Na het ineenstorten van het Romeinse Rijk in het Westen heersten er enige tijd de Vandalen en daarna probeerde het Byzantijnse Rijk er voet aan de grond te krijgen, maar het kon slechts de stad Ceuta enige tijd in zijn macht houden (534 tot 709). In feite werd het gebied door onafhankelijke Berbers beheerst tot ca. 700, toen het land door de Arabieren werd veroverd en een geleidelijke islamisering begon. Hoewel het land nominaal onder het kalifaat van Bagdad viel, bleef het ook toen nog onder de controle van Berbers, tot Idris I, stichter van de Arabische dynastie der Idrisiden, het gebied probeerde te verenigen. Onder zijn opvolgers viel het land weer uiteen in een confederatie van Berbervolken, die het voorwerp werd van de machtsstrijd tussen de Arabische dynastieën der Fatimiden en de Omajjaden. In het midden van de 11de eeuw ontstonden er onder de Berbers sekten die de islam een nieuwe strijdbaarheid gaven. Zo verrezen de Berberdynastieën der Almoraviden (1056–1147) en Almohaden (1147–1269), onder welke Marokko tot grote macht en bloei kwam en geheel islamitisch Spanje tot tweemaal toe werd veroverd. In 1269 kwamen de Almohaden definitief ten val: Spanje werd prijsgegeven aan de christelijke Reconquista, het Noord-Afrikaanse land werd verdeeld onder drie nieuwe dynastieën. Marokko kwam in handen van de Mariniden, die reeds in 1196 waren begonnen het land vanuit de Sahara te infiltreren. Zij bleven tot 1549 aan de macht (na 1428 de tak der Wattasiden). De Portugezen veroverden Ceuta in 1415, de Spanjaarden in 1496 Melilla. De macht werd van de Wattasiden overgenomen door de krachtige Sa’adi-sjarifen (sjarif = afstammeling van de profeet Mohammed), die zich tot 1659, zij het na 1623 alleen te Marrakech, handhaafden. Zij wisten in 1578 bij Kasr al-Kabir de Portugezen een beslissende nederlaag toe te brengen. De bekendste vorst van deze dynastie, Ahmad al-Mansoer (1578–1603), verzette zich met succes tegen de Turken, die Algerije en Tunesië al in hun macht hadden. Van de Europese handel op de Middellandse Zee profiteerden de Marokkanen door de Barbarijse zeerovers. Omstreeks 1650 kwam er een nieuw sjarifenhuis aan het bewind, nl. de Filaliërs of Alawieten van Tafilalet, van wie Mawlai (= mijn heer) Isma’il al-Samin (1672–1727) het gezag van de sjarifen in het gehele land herstelde. Na hem geraakte het rijk door troontwisten en opstanden steeds meer in verval; niettemin hebben de Filali-sjarifen zich tot op heden als monarchen weten te handhaven.

Van de 19de eeuw tot 1939

Abd-el-Krim leidde in Marokko een opstand van Berbers tegen de Spanjaarden en wist hen in 1921 bij Anoual na bloedige gevechten te verslaan. In 1924 dwong hij de Spanjaarden zich tot de kust terug te trekken. Na een gezamenlijk Frans-Spaans optreden moest hij zich in 1926 overgeven.

In de 19de eeuw veranderde de internationale positie van Marokko door de zich wijzigende behoeften van het Europese imperialisme. Na de verovering van Algerije door de Fransen (1830) steunden de Marokkanen de Algerijnse opstandelingenleider Abd el-Kader, wat uiteindelijk tot een oorlog leidde. Na de Vrede van Tanger (1845) profiteerde Marokko nog een tijdlang van zijn gunstige geografische ligging, die het echter ook tot twistappel van de grote mogendheden maakte. De internationale conferentie van Madrid (1880) regelde vooralsnog de staatsrechtelijke positie van het land: de mogendheden garandeerden Marokko en elkaar Marokko's ‘onafhankelijkheid en economische internationaliteit’. In 1902 evenwel betuigden Frankrijk en Italië elkaar bij verdrag neutraliteit ten opzichte van hun Noord-Afrikapolitiek (resp. ten aanzien van Marokko en Tripolis), in 1904 sloot Frankrijk met Groot-Brittannië en Spanje overeenkomsten over Marokko. Hierbij werd Marokko verdeeld in een internationale zone Tanger, een Franse invloedssfeer en een Spaanse invloedssfeer. Daarna ontstond de eerste Marokko-crisis (1905) en bezette Frankrijk, ondanks verzet van de overige mogendheden, toch een gedeelte van het land. In 1908 werd de heersende sjarif, sultan Abd al-Aziz, onttroond door zijn broer Mawlai Hafid, die evenwel ook al spoedig met zijn landgenoten in conflict kwam. Vervolgens brak de tweede Marokko-crisis (1911) uit. Het resultaat van de onderhandeling was, dat Duitsland een Frans protectoraat Marokko erkende. Mawlai Hafid trad af als sultan. Zijn opvolger, Mawlai Joesoef, sloot de protectoraatsverdragen van 30 maart en 27 nov. 1912 met Frankrijk en Spanje. De overeenkomst van 1904 werd herzien: Spanje behield de enclaves Ceuta en Melilla in het noorden en de enclave Santa Cruz de Mar Pequeña (thans Ifni) in het zuiden wel, maar in verkleinde vorm. De eerste resident-generaal in het protectoraat Marokko was generaal Lyautey, die erin slaagde het land in betrekkelijk korte tijd te pacificeren. Franse troepen hielpen Spanje bij het onderdrukken van de gewelddadige opstand van de Riffijnen onder Abd el-Krim (1921–1926). Lyautey werd in 1925 vervangen door een civiele resident-generaal, die in feite volledig de macht in handen kreeg, terwijl de sultan slechts in naam regeerde. In 1932 slaagden de Fransen erin de oase Tafilalet te bezetten en in 1934 hadden zij geheel Marokko onder hun gezag gebracht. Omstreeks die tijd uitten zich de eerste nationalistische gevoelens in de Action Marocaine, met Allal al-Fasi als een van de voornaamste pleitbezorgers. De partij kwam met een uitvoerig programma van hervormingen, maar eiste niet direct de afschaffing van het protectoraat. De Action Marocaine werd in 1937 opgeheven, maar de tegen het Franse regime gerichte nationalistische propaganda duurde voort.

1939–1970

In 1939 sloot Marokko zich aan bij Frankrijk, in 1942 bij de beweging van de Vrije Fransen van generaal De Gaulle. De nationalisten richtten in 1943 de Verenigde Onafhankelijkheidspartij (Istiqlal) op (weer met al-Fasi als een van de voormannen), die volledige onafhankelijkheid voor Marokko eiste, met een constitutionele vorm van regering onder sultan Mohammed ibn Joesoef, die het nationalisme steunde. In 1944 werd een tweede onafhankelijkheidspartij, meer op het Westen georiënteerd, opgericht, de PDI. De Istiqlal, die in de steden veel aanhang had, kon echter maar nauwelijks genade vinden bij de conservatieve Marokkaanse groepen op het platteland, die zich geschaard hadden rond Thami al-Glawi, de pasja van Marrakech. In aug. 1953 ging Ibn Joesoef in ballingschap, toegevend aan de druk van de groep onder leiding van al-Glawi. Mohammed ibn Arafa werd daarop als sultan erkend.

Er volgde een periode van fel gewapend verzet van de Marokkanen, waartegenover illegale Franse organisaties, waarin de Franse politie een belangrijk aandeel had, een ‘contraterrorisme’ stelden. De situatie bleef gespannen. In aug. 1955 kwam het Marokkaanse verzet vooral voor op het platteland, waar talrijke slachtoffers vielen. Ibn Arafa kon de situatie niet meer in de hand houden en vluchtte naar Tanger. Ibn Joesoef keerde terug en werd op 5 nov. 1955 opnieuw als sultan erkend. Op 2 maart 1956 volgde een Frans-Marokkaanse verklaring dat het protectoraatsverdrag van 1912 was verouderd en dat de Franse regering de onafhankelijkheid van Marokko erkende. Een Hoge Commissaris zou Frankrijk in de nieuwe staat vertegenwoordigen. Op 12 nov. 1956 werd Marokko lid van de Verenigde Naties, op 1 okt. 1958 van de Arabische Liga. Een internationale conferentie te Fedala had tot resultaat dat Tanger Marokkaans bezit werd. In 1959 verloor Tanger eveneens zijn status van economisch internationale zone; in 1962 werd de stad echter bij Koninklijk Besluit weer tot vrijhaven gemaakt. Spanje erkende vrijwel gelijktijdig met Frankrijk Marokko's onafhankelijkheid, terwijl het bovendien afstand deed van zijn noordelijke protectorale bezittingen in Marokko. Het behield echter steunpunten te Ceuta en Melilla. De zuidelijke enclave Ifni bleef Spaans, wat in de jaren 1956 tot 1958 tot veel strijd aanleiding gaf. In dec. 1965 werd door de Verenigde Naties een resolutie aangenomen volgens welke Spanje Ifni en Spaans Sahara (zie Westelijke Sahara) moest dekoloniseren. Ten aanzien van Ifni werd deze resolutie uitgevoerd. Op 30 juni 1969 werd Ifni officieel aan Marokko overgedragen.

Sultan Mohammed ibn Joesoef, die in 1957 de titel koning had aangenomen, stierf in 1961. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Mawlai Hassan, die als Hassan II de troon besteeg. In dec. 1962 werd bij referendum een nieuwe grondwet goedgekeurd en in mei 1963 werden de eerste parlementsverkiezingen gehouden, waarbij de koningsgezinden wonnen. Inmiddels was de eerste van een reeks grensconflicten met Algerije uitgebroken. In febr. 1964 werd het conflict geregeld en een gedemilitariseerde zone ingesteld. Ook werden door bemiddeling van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid de diplomatieke betrekkingen tussen beide landen weer opgenomen. Een officieel bezoek van koning Hassan aan Tunesië in dec. 1964 bracht verbetering in de diplomatieke betrekkingen met dat land, die ernstig waren verstoord toen Tunesië in 1960 de onafhankelijkheid van Mauretanië erkende. In juni 1965 stelde Hassan de grondwet buiten werking en vormde een nieuwe regering met zichzelf als premier, teneinde zijn plannen voor administratieve en economische hervormingen door te voeren. In datzelfde jaar werden de politieke verhoudingen ernstig verstoord door de mysterieuze ontvoering naar Parijs (en de vermoedelijke liquidatie aldaar) van Ben Barka, de leider van de linkse Union Nationale des Forces Populaires (UNFP). Ook de relaties met Frankrijk werden hierdoor ernstig geschaad.

Binnenlandse politiek sinds 1970

In aug. 1970 werd een nieuwe Wetgevende Vergadering gekozen, waarin door het afzijdig blijven van de oppositie opnieuw de koningsgezinden een meerderheid kregen. Intussen had Hassan het premierschap opgegeven. Na een mislukte staatsgreep in juli 1971 delegeerde Hassan alle burgerlijke en militaire bevoegdheden aan generaal Mohammed Oufkir. Op 16 aug. 1972 deden officieren van de luchtmacht een greep naar de macht. Generaal Oufkir, die kort daarna zelfmoord pleegde, zou de leiding hebben gehad. De staatsgreep werd gevolgd door ingrijpende zuiveringen in de legertop en de daders werden allen geëxecuteerd. De koning besloot evenwel zijn bewind meer op legaliteit te baseren en bood de oppositiepartijen ministersposten aan in het kabinet van zijn zwager Achmed Osman. In 1973 en 1974 vonden op grote schaal politieke processen plaats tegen studenten en oppositieleiders. Vooral de marxistisch-leninistisch georiënteerde groeperingen moesten het ontgelden.

In verband met het conflict over de Westelijke Sahara (zie hierna) deed de koning pogingen de politieke partijen tot medewerking aan het systeem te bewegen. De parlementsverkiezingen van juni 1977 eindigden in een grote overwinning van de koningsgezinde ‘onafhankelijken’. De Istiqlal stemde erin toe deel uit te maken van de regering. In maart 1979 werd een nieuwe regering op brede basis onder leiding van Maati Bouabid gevormd. Verder werd een Nationale Veiligheidsraad opgericht onder voorzitterschap van Osman, waarin alle belangrijke politieke partijen, inclusief de communisten, zitting kregen om aan de situatie in de Sahara het hoofd te bieden. De koning bleef echter verregaande bevoegdheden behouden en de vervolging van politieke tegenstanders werd voortgezet. In 1980 werd bij referendum een voorstel om de leeftijd voor troonsbestijging te verlagen van achttien naar zestien jaar en het voorzitterschap van de regentschapsraad niet langer voor te behouden aan iemand van de koninklijke familie, aangenomen. De regering liet een aantal prominente politieke gevangenen vrij en een aantal politieke ballingen mocht naar Marokko terugkeren.

De door het IMF geëiste afschaffing van voedselsubsidies leidde begin 1981 tot drastische prijsstijgingen en hevige sociale onrust. Massale stakingen liepen in juni 1981 uit op een bloedbad in Casablanca. Universiteiten werden gesloten en honderden vakbondsleden en leden van de oppositiepartij USFP werden gearresteerd.

Bij de parlementsverkiezingen in sept. 1984 behaalden de koningsgezinde partijen, de Union Constitutionelle van Bouabid en de RNI van Ahmed Osman een ruime meerderheid. Premier Karim Lamrani werd in 1986 vervangen door Azzedine Laraki. In jan. 1984 en dec. 1990 kwam het opnieuw tot bloedige voedselrellen. Bij de laatste gelegenheid manifesteerden zich ook islamitische fundamentalisten (zie fundamentalisme [islam]), die protesteerden tegen deelname van Marokkaanse militairen (sinds sept. 1990) aan de internationale strijdmacht tegen Irak (zie Tweede Golfoorlog). De Marokkaanse militairen werden echter niet ingezet bij de bevrijding van Koeweit. Ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag kondigde koning Hassan II in juli 1994 amnestie af voor politieke tegenstanders, met uitzondering van degenen die zich opstelden tegen het Marokkaanse beleid jegens de Westelijke Sahara. De koning kondigde voorts aan dat de Berberse cultuur voortaan als een wezenlijk onderdeel van de Marokkaanse identiteit zou gelden en dat lagere scholen werd toegestaan onderwijs in het Berbers te geven.

In 1996 werd per referendum een nieuwe grondwet goedgekeurd, die o.a. een tweekamerparlement introduceerde, maar niettemin de invloed van de koning op het bestuur van het land grotendeels in tact liet.

In 1997 werden voor het eerst negen fundamentalistische moslims tot het parlement toegelaten. Een officiële islamitische partij bleef echter verboden. Na de parlementsverkiezingen in 1997 benoemde koning Hassan II in februari 1998 de oppositieleider Abderrahman Youssoufi van de Socialistische Unie van Volkskrachten (USFP) tot premier van een nieuwe coalitieregering van de USFP, de Istiqlal en het Nationaal Verbond van Onafhankelijken. De nieuwe regering werd ontvangen als een signaal van verandering en politieke liberalisering, wat in oktober 1998 werd bevestigd toen de regering toegaf dat in de jaren zestig en zeventig als ‘verdwenen’ opgegeven politieke oppositiefiguren in werkelijkheid in politiebureaus en gevangenissen waren overleden.

Op 23 juli 1999 overleed koning Hassan II aan de gevolgen van een hartaanval. De begrafenis, een dag later, van de koning die 38 jaar over Marokko had geregeerd, werd bijgewoond door ruim twee miljoen Marokkanen, en door staatslieden uit zo’n vijftig landen, onder wie de Amerikaanse president Clinton de Israëlische premier Barak en de Palestijnse leider Arafat. Onmiddellijk na Hassans dood werd zijn zoon Mohammed (VI) tot koning gekroond. Hij bewees een voorstander te zijn van hervormingen en democratisering. De nieuwe koning richtte een Adviesraad voor de Mensenrechten op, waar slachtoffers van staatsterreur aanvragen kunnen indienen voor schadevergoedingen. Van grote politieke betekenis was het ontslag, in november 1999, van de invloedrijke minister van Binnenlandse Zaken, Driss Basri, die sinds achttien jaar aan het hoofd stond van zijn ministerie, gold als de belangrijkste vazal van Hassan II en werd gezien als de architect van de politieke repressie. Enkele vooraanstaande dissidenten kwamen terug naar Marokko en ook de familie van Marokko’s beroemdste dissident, Ben Barka. Het nieuwe liberale imago van Marokko ging echter al in 2000 scheuren vertonen. Zo werd in december de leiding van de Marokkaanse Associatie voor Mensenrechten gearresteerd, werden betogingen van mensenrechtenactivisten en fundamentalisten uiteengeslagen, en werden drie onafhankelijke weekbladen verboden.

In maart 2000 lokten regeringsvoorstellen om vrouwen meer rechten zowel demonstraties voor als tegen (van de moslimfundamentalisten) uit. In de voorstellen omvatten alfabetiseringscampagnes (op het platteland is 90% van de vrouwen analfabee), hervormingen van het islamitisch familierecht en van het erfrecht, verhoging van de huwelijksleeftijd naar 18 jaar en afschaffing van polygamie en verstoting; echtscheidingen zouden voortaan alleen door de rechter mogen worden uitgesproken.

Buitenlandse politiek sinds 1970

In jan. 1970 werd Mauretanië volledig door Marokko erkend en in juni van dat jaar werd er reeds een samenwerkingsverdrag tussen beide landen getekend.

Ten aanzien van het door Marokko betwiste Spaans Sahara (zie Westelijke Sahara) werd op 14 nov. 1975 een akkoord bereikt, wellicht mede onder de druk die Hassan wist uit te oefenen via een door hem georganiseerde ‘vredesmars’ door 350 000 Marokkanen naar dit gebied, een mars die evenwel werd afgebroken toen vlak na het overschrijden van de grens een confrontatie met Spaanse troepen dreigde. Volgens de bepalingen van het akkoord ontruimde Spanje het gebied vóór 28 febr. 1976, waarna het werd verdeeld tussen Mauretanië en Marokko (dat het grootste deel van het gebied langs de Atlantische kust, alsmede de fosfaatgebieden bij Bu Cra kreeg toegewezen). Het voor een zelfstandige Sahararepubliek strijdende Polisario begon toen een guerrilla tegen zowel Marokko als Mauretanië, daarin gesteund door Algerije. Mauretanië kon de geldverslindende oorlog niet lang volhouden en sloot in aug. 1979 een akkoord met Polisario om het gebied te ontruimen. Marokkaanse troepen trokken daarop dit deel van het gebied binnen en het werd als veertigste provincie bij Marokko ingelijfd. De kwestie van de erkenning van de door Polisario uitgeroepen Democratische Arabische Republiek Sahara (DARS) leidde tot een breuk binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Marokko verbrak de betrekkingen met staten die tot erkenning van de DARS overgingen. Ten koste van een zware tol aan mensenlevens en geld wist Marokko geleidelijk een militair overwicht in de Sahara te verwerven. Er werden door Marokko grote verdedigingswallen opgericht om Polisariostrijders buiten de mijnbouwgebieden te houden. In aug. 1988 kwam secretaris-generaal van de VN, Perez de Cuellar, met een vredesplan dat voorzag in een bestand en een referendum. Op basis hiervan trad Marokko in overleg met Polisario. In maart 1993 riepen de Verenigde Naties unaniem Marokko op voor het eind van het jaar het toegezegde referendum te houden over de toekomst van het gebied. Het aangekondigde referendum over de toekomst van de bezette Westelijke Sahara werd echter keer op keer uitgesteld, uiteindelijk tot 2000.

Binnen de Arabische wereld speelde Marokko een prominente rol. Diverse malen was koning Hassan gastheer van Arabische topconferenties. Hij speelde een belangrijke rol bij de terugkeer van Egypte in de Arabische Liga en ontving in juli 1986 de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Sjimon Peres. De relaties met Frankrijk en de Verenigde Staten bleven zeer nauw. In 1977 en 1978 opereerden met Amerikaanse steun Marokkaanse militairen in Zaïre. In sept. 1990 stuurde Marokko militairen naar Saoedi-Arabië voor de internationale strijdmacht tegen Irak.

De verhouding met de Europese Unie (EU) werd lange tijd beheerst door een conflict over visserijrechten voor de Marokkaanse kust. Mede door ingrijpen van Hassan II kwam in okt. 1995 een akkoord tot stand, waarbij gedeeltelijk aan de wensen van de Marokkaanse vissers werd tegemoetgekomen. Onder druk van de EU begon de overheid een campagne tegen de hennepteelt in het Rifgebied, maar buitenlandse deskundigen wezen op een sterke verbondenheid van overheidsfunctionarissen op alle niveaus met de drugseconomie.

Het reeds lang aangekondigde referendum over de toekomst van de bezette Westelijke Sahara werd ook in 1996 weer uitgesteld. Koning Mohammed VI toonde zich na zijn troonsbestijging in 1999 de koning van de vernieuwing en verzoening. Er kwam een minister voor de rechten van de mens en een speciale Commissie voor de Mensenrechten. Non-gouvernementele organisaties, waaronder onafhankelijke mensenrechtenorganisaties (o.a. Amnesty International) kregen meer de ruimte zich te manifesteren. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd gezuiverd van personen die betrokken waren geweest bij de repressie, ballingen werden uitgenodigd naar huis te keren, er kwam een arbitragecommissie die zich buigt over smartengeldbetalingen aan familieleden van verdwenen personen en het huisarrest van sheikh Yassine werd opgeheven. Er kwam voorts een beleid van decentralisering met bijzondere aandacht voor de economische ontwikkeling van verwaarloosde regio's en er werden stappen gezet de rechten van verdachten te verbeteren (de termijnen van voorarrest en voorlopige hechtenis zijn aan banden gelegd).

Aan de parlementsverkiezingen van 27 september 2002 namen 24 partijen deel. De USFP en Istiqlal kwamen op een gedeelde eerste plaats (elk 50 van de 325 zetels). De gematigde islamitische PJD kwam op 42 zetels, een verdrievoudiging van het aantal zetels in het vorige parlement. In het nieuwe parlement zitten 34 vrouwen, deels via aparte kieslijsten verkozen. Het Kabinet Jettou is samengesteld uit leden van zes partijen en voorts uit een aantal partijloze bestuurders. Minister President Jettou, Minister van Binnenlandse Zaken Al Musthapha Sahel en Minister van Buitenlandse Zaken Mohamed Benaissa behoren tot deze zogenaamde 'sans appartenance politique'. De enige nieuwe regeringspartij is de 'Mouvement Populaire'. De USFP en Istiqlal leverden elk acht van de 39 bewindslieden. Nieuw is de portefeuille voor zaken betreffende Marokkanen in het buitenland. Deze viel toe aan Mevrouw Nouzha Chekrouni (USFP), die in het kabinet Youssoufi verantwoordelijk was voor emancipatie-zaken. Mevrouw Cherouni was in het kabinet Youssouffi de enige vrouw. In het kabinet Jettou zitten drie vrouwen.

De zetelwinst van de PJD in de parlementsverkiezingen van september 2002 wijst er op dat islamisme en fundamentalisme terrein winnen. Naast bewegingen met wortels in de Marokkaanse spirituele traditie zoals de Jama'at al-Adlw-al-lhsan van sheikh Abdessalam Yassine zijn er diverse bewegingen die opereren vanuit een ultraorthodoxe gedachtegoed dat uit het buitenland afkomstig is.

Op 16 mei 2002 werd Casablanca opgeschikt door een serie zelfmoordaanslagen. Er vielen 18 slachtoffers, het meerdendeel Marokkaans. Groeperingen als Al-Salafiyya al-Jihadiyya en Al-Sirat al-Mustaqim worden in verband gebracht met de aanslagen. De eerste processen in verband met de zelfmoordaanslagen gingen midden 2003 van start. Daarbij is tegen een aantal verdachten de doodstraf geëist.

Met de instelling van een waarheidscommissie (Instance équité et réconsiliation) worden schendingen van de mensenrechten die plaatsvonden gedurende het bewind van Koning Hssan II aan de kaak gesteld. Dat gebeurt in een sfeer van groeiende openheid van de zijde van de overheid. Slachtoffers krijgen de gelegenheid gedurende hoorzittingen waarvan rechtstreeks verslag werd gedaan door de televisie hun verhaal te doen over begane misstanden zonder overigens de namen van verantwoordelijken te mogen noemen.

De hervormingen van Koning Mohammed VI (die reeds werden ingezet in de laatste jaren van het bewind van Koning Hassan II) leiden langzaam maar zeker tot een ander, veel opener klimaat in Marokko. Er is steeds minder angst, er kan meer worden gezegd en er is sprake van een grotere persvrijheid. Wel zijn er duidelijke rode lijnen; de rol en positie van de monarchie zelf, de islam en de Westelijke Sahara.

Met de instelling van een nationale verzoeningscommissie (Instance Equité et Réconciliation) is een belangrijke stap voorwaarts gezet op het terrein van de mensenrechten. Door de commissie is het verleden van Marokko besproken, de ‘jaren van lood’ die werden gekenmerkt door onderdrukking van de oppositie en grove mensenrechtenschendingen. Tot op zekere hoogte is recht gedaan aan de slachtoffers, door hen hun verhaal te laten doen en door het toewijzen van schadevergoedingen. Daarnaast heeft de commissie een aantal aanbevelingen geformuleerd, waarmee nadrukkelijk ook naar de toekomst wordt gekeken. Een aantal van de aanbevelingen zou, indien geïmplementeerd, de positie van de monarchie minder absolutistisch maken (constitutionele hervormingen, versterking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, versterkte regelgeving veiligheidsdiensten).

Met de invoering van de nieuwe Moedawanah (geheel van familierecht) heeft Marokko een grote stap gezet op sociaal-maatschappelijk gebied, die op termijn moet leiden tot een gelijkwaardige relatie tussen man en vrouw. Een andere belangrijke ontwikkeling betreft de toegenomen ruimte en aandacht voor de Berber cultuur en taal. De koning heeft zich ook uitgesproken over de noodzaak het sociale zekerheidsbeleid te versterken. In concreto heeft dat alleen nog geleid tot de invoering van een nieuwe verplichte ziektekostenverzekering voor werknemers, ambtenaren en gepensioneerden per 1 maart 2006 en een nieuwe Arbeidswet.

In juni 2007 vinden gesprekken plaats tussen Marokko en het Polisario over de westelijke sahara onder toezicht van de Verenigde Naties, de gesprekken leveren niets op. In september 2007 wint de conservatieve Istiqlal partij de meeste zetels tijdens de parlementsverkiezingen. In 2008 en 2009 worden processen gevoerd tegen Islamisten die verdacht worden van betrokkenheid bij bomaanslagen in Cassablanca en Madrid. In juli 2009 wordt Abdelkader Belliraj een Marrokkaansde al Qaeda leider tot levenslang veroordeeeld.

terug naar boven 

 

 Laatst bijgewerkt op: zondag 17 mei 2015

Menu Generated By: OpenCube NodeFire - www.opencube.com